Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezoek weg was van de zaal, had 't vrouwtje haar gezicht in de kussens geborgen en het uitgesnikt van droefheid.

De zuster was eens met haar man gaan spreken en had met smart gezien, hoe 't huisje en de kinderen de sporen droegen van verwaarloozing. Zij had geene verdere inlichtingen meer noodig. Dokter werd geraadpleegd, en van 't allernoodigste op de hoogte gesteld om zijne toestemming te verwerven. Hij gaf zijne toestemming; Femmetje was ook zoo'n net, vriendelijk vrouwtje, een vriendinnetje van hem op de zaal, en enfin: „als u t op u wilt nemen, haar nog eens enkele keeren te gaan verbinden, vooruit dan maar, maar 't blijft eene uitzondering, hoor, omdat 't hier nu zoo'n bijzonder geval is en u zoo warm voor haar pleit."

Toen werd eene werkvrouw gehuurd, voor een dag, om 't huisje in orde te maken. En morgen zou Femmetje weer te midden der haren terug zijn.

Toen Koos de tijding kreeg, was hij geloopen, van zijne woning naar zijn baas, van zijn baas naar 't Ziekenhuis, van 't Ziekenhuis de buurt rond, overal vertellende zijn groot geluk. Alles wilde hij doen, t huisje op laten knappen, een nieuwen, warmen rok koopen voor Fem, trakteeren op krentenbrood en chocolamelk, maar, o bitter zelfverwijt, hij kon helaas niet. En weer keerde Koos tot zichzelf in, en toen hij dien dag bij zijne vrouw kwam om haar te halen, was hij stil en gedrukt; hij had haar zoo graag verrast bij haar thuiskomst. Hij wilde het haar zeggen, voor zij thuis waren, maar Femmetje voorkwam hem. „Ik weet het, man, jk weet het, maar wij moeten het immers ook samen doen.

Sluiten