Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doodmoe was, maar in 't kamertje was alles schoon en glimmend. De jongens hadden verwonderd gekeken, dat ze niet met de klompen binnen mochten komen en dat de zwarte ijzeren pot niet zoo maar op de tafel mocht staan, die wit geschuurd was, maar op een stuk papier.

Ze zat alleen, al heel laat, toen haar man thuis kwam, bezig, c. broekje te verstellen. Groote onregelmatige steken, zoo goed als ze 't echter kon.

„Waar is Trien?" vroeg hij.

„Die is bij de boerin."

„Mooi zoo, dan verdient ze toch wat voor morgen, want m'n centen zijn op."

„Op?"

„Ja, denk je, dat ik den heelen dag in den regen wil staan?"

„Blijf dan thuis."

„'k Zou je liever, daar is ook wat aan."

De vrouw zwijgt. Ze weet niet, hoe weer te beginnen over haar plan. 't Komt niet in haar op een beroep te doen op iets, dat op liefde zou moeten gelijken. Eindelijk zegt ze:

„Trien blijft de heele week bij de boerin."

„Zoo."

„Ja, en nou verdient ze meer dan op 't land."

„Dat is ook niet, om van te leven."

„Maar nou kan ik veel beter hier alles in orde houden."

„Watblief? hè?"

Redeneeren kan ze niet; ze weet niets te zeggen dan enkel, dof, dom:

Sluiten