Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. Nee, — ik — (strijkt onbewust door zijn haar).

V. (Gaat tot hem).

W. (Ziet hem aan).

V. God — jongen, wat ben-je bleek.

W. Bleek, {glimlacht dof) ja, (haalt de schouders op, staart weer in 't vuur). (Pauze).

V. (Ziel W. aan, achter hem), 't Gaat niet goed. 't Gaat niet goed, — hè?

W. (Schudt neen, zegt niets).

V. 't Gaat niet goed — maar wat, wil-je — wat?

W. {Haalt de schouders op).

V. Ja, maar — je moet toch — wat wil-je?

W. (Langzaam, drooge mond). Och, ik, ik weet niet, — ik — (ziet in 't vuur).

V. Willem — is er niets, niets waar-je belang in stelt — je moet toch wat gaan doen, — is er nu niets — heelemaal niets?

W. (Antwoordt niet).

V Luister 's.

W. (Ziet suf om). Ja — Pa.

V. Verzet je meer tegen — je — tegen je zelve. W. Och.

V. Je kunt toch zóo niet blijven.

W. Ik weet 't niet.

V. Zoo, — maar heb je dan geen wil, — leef zooals we dat allemaal doen, dat moet!

W. Ik — zal 't wel doen, — maar — ikzal'tdoen.

V. Nee, — nee, niet zóo, — je zegt maar weer wat en dat gaat niet, — is 't hier dan zóo, — zóo moeielijk voor je — of —

Sluiten