Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

>

W. (Voor den kachel, kucht).

M. O ja, — ik wou je zeggen, Willem, — dat, (ziet naar hem, zit weer met de rug naar M.) Willem, (boos). W. Wat —

M. (Tot V.) Ik begrijp niet, dat't jou ook niet hindert. V. (Wat geërgerd). Och, — ja, ja maar.

M. Maar — is 't dan niet zoo, — heb ik geen gelijk, — is 't zooals 't hoort?

V. (Moe). Ja, — ja.

W. (Ziet weer voor zich).

M. Ik begrijp je niet meer, (tot V.) toen i weggeloopen was —

V. St! St!

M. Wat nou, — wat is 'r, — is i dan niet weggeloopen?

Y. (Antwoordt niet, opgewonden).

M. Ik geloof dat je 'r spijt van hebt, dat Henk 'm is gaan halen, (ziet V.'s opwinding). Maar, maar, wat heb-je, — wat miszeg ik, — wat?

W. (Ziet naar V., dan naar M). Och, — toe Moe — M. Hou-jij je mond, — jij bent de oorzaak van alles. W. Maar —

V. (Zenuwachtig). Toe — spreek daar nü niet over. M. 't Is, — 't is, — ik, — ik weet 't niet, maar — spreek daar niet van, — wat meen-je, — hoe heb 'k 't nou — ?

W. (Staat op, wil heen gaan).

M. Nee — blijf hier, ik heb je wat te zeggen.

V. O, — (gaat op een ongewone stoel zitten).

Sluiten