Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar gauw zette hij Sanne van zich af. Wat duvel, hij had nu aan vroolijker dingen te denken. — De avondwind woei een flauw gerucht tot hem, als van juichende stemmen.

Hoor, dat was 't jonge volk, dat den herbenoemden burgemeester een serenade bracht. Dat zou een feest zijn vanavond en de burgemeester had hem, zegge hem, Adriaan Bos, een invitatie gestuurd om te komen feestvieren, zoo heel familjaar met de familie. Ja, ja, Annatje zou wel gezeurd hebben bij 'r pa. Annatje mocht 'm graag, dat wist-ie wel. Ze was wat schraal, zoo'n kip op hooge pooten, maar 'n bom duiten. En wie weet of 't van avond niet zou zijn: kip ik hèb je.... ha ha! Hij zou wel weten wat-ie deè. En tot zoolang was Pleuntje goed. 'n Aardig snuutje had die meid toch, om zóó.... Zijn hoekige mond met de groote, grijnzende slagtanden hapte in de lauwe avondlucht. — En zij mocht 'm óók al graag; gek, zooals ieder 'm graag mocht, 't Arme kind, voor haar was niet veel kans. Of-ie 't haar niet, zoo onder de hand 's, moest laten merken, dat er niets van komen kon? Ze mocht zich eens wat in 'r mooie koppie halen. Bah, gekheid, dat kon geen kwaad en hij zou er zoo lang van profiteeren als-ie kon....

Door ruw lachen werd hij in zijn behaaglijk gemijmer gestoord. „Miester, zoo dag miester!" klonken hem een paar stemmen wat spottend achterop. Zijn eerste impulsie was sneller door te loopen. Dat waren een paar van 't jonge mansvolk, die zeker óók naar 't dorp moesten voor het feest en hij had het niks |op die rèkels; ze waren te lomp en te dom voor een beschaafd

Sluiten