Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ineens heel teer, drukte zij haar rozig gezichtje tegen den deurpost en murmelde: „Mien jong, mien knappe heerige jong ...."

Toen bedacht zij, dat ze nog wel een paar uurtjes naar 't dorp kon gaan, naar 't feest; vader vond het goed en .... misschien zou ze h e m ook nog zien

Het was buiten op den straatweg nu bijna geheel donker; geheimzinnig ritselde van tijd tot tijd het koren opzij van den weg en ze was wel wat bang. En ze dacht aan ouwe Sanne, hoe Klaas verteld had van „Manke-Oafke", die om twaalf uur 's nachts er was langs gegaan, 't Was nu nog wel bij lange geen twaalf uur, maar toch.... ze zou maar 't paadje door het koren nemen, dan hoefde ze den molen niet voorbij .... Maar waarom ook eigenlijk niet? Adriaan geloofde niet aan heksen en Adriaan was knap en nu hij er niet aan geloofde, geloofde zij er óok niet aan ....

Toch klopte nog iets angstigs in haar, als voor iets waar haar grootvader, haar vader instinctmatig voor gevreesd hadden. En zij besloot toch maar het weggetje te nemen en zoo den molen te vermijden. Toen, terwijl haar oog op het donkere gevaarte rustte, dat ginds, star-stil, onbeweeglijk stond in het bleek-zilveren maanlicht, ging een schok van schrik door haar heen. Een dichten, grijzen rook zag zij langzaam uit de kap omhoog stijgen met nu en dan een hellen weèrschijn tegen den somberen molen-wand, als van vlammen.

En gansch ontsteld, koud van zweet opeens, met één impulsie slechts: het dorp te bereiken, de menschen, die feestvierden, te waarschuwen dat er brand was, ijlde ze, vergetende het kleine wegje te nemen, langs

Sluiten