Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den straatweg, hijgend, met ineengeklemde vuisten, droge lippen en angstig-starende oogen, ijlde ze, ijlde ze voort.... Na een bocht van den weg stond zij eensklaps vlak voor het monstergevaarte.

Ze had er niet meer aan gedacht dat ze er langs moest nu ze den straatweg genomen had, doch nu stond ze ineens stijfstil, als verlamd. — Maar dreigend-onverbiddelijk steeg een staag-verdikkende rookzuil de lucht in en nuchter-helder zag ze toen in, dat ze iets doen moest. Door een vreemden drang gestuwd trad zij op het poortje toe, zag tegen de donkere trapkisting op, nog besluiteloos of ze naar boven klimmen zou. Angst voor de heks voelde ze nu niet meer. — Daar zag zij iets glinsteren in het duister van een traptreè en dadelijk had zij zich gebukt en het opgeraapt: Adriaans potloodje, haar geschenk ....

Zij dacht geen oogenblik over het zonderlinge, dat het daar verdwaald was, maar 't gaf haar ineens als een verpletterenden slag de gedachte, dat Adriaan daar boven zijn moest!.... Natuurlijk, hij zou ook den rook gezien hebben en naar boven zijn gesneld om te helpen, en z ij bleef hier maar suffend staan aan den ingang. Vort, vort, naar boven, de trap op, hem helpen, hem redden[!!

Ineens was al haar angst, haar gejaagdheid teruggekeerd. Vort, vort vóór 't te laat was.... hijgde zij. Hare handen klauwden zich aan de stoffige treden van de trap, haastig, struikelend stommelden hare voeten hooger, hooger.... En onderwijl murmelden met een kreunende bewondering haar lippen nog: „die jong, die dappere jong."

Een verstikkende rook, die haar tegemoet wolkte,

Sluiten