Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar belette te zien. Wankelend leunde ze tegen een graanzak aan, die daar stond, en kreet rauw, gesmoord: Adriaan!.... Vlammen, als grijnzende monsters, zag zij geniepig van alle kanten aanlekken, en versteend van angst, bijkans verstikt van rook, gilde ze nogmaals: Adriaan!.... Boven sprong eensklaps een luik open, de rook verdunde zich dadelijk, baande zich een uitweg naar buiten. En nu kon ze, vaag, een stokoude vrouw onderscheiden, die in een hoek, aschgrauw en verwrongen, languit ter nèer lag, gestikt....

En dat vizioen van dood deed haar rillen; zij wrong zich de handen, zocht naar den uitgang, de trap, die ze niet meer terug vinden kon.

En nader, nader slopen de grijnzende vlammen. Nog eenmaal, met bovenmenschelijke inspanning van krachten gil-huilde zij : Adriaan ! ....

Toen zonk ze bezwijmd tusschen de meelzakken neer....

Straf en gloeiend blakerde de middagzon de gele velden, die als vermoeid lagen met zwaar-buigende hoofden van halmen.

In de lucht trilde de hitte zichtbaar, een trage, wittige vloeistof als wit-vloeiend metaal. En alles scheen te trillen rondom in de trilling van die zonnehitte en een bruine poeder zeeg neer uit de lucht en bedekte ieder voorwerp.

De boomen in de stille bongerden, dien morgen frisch en groen, schenen doodsch nu door dat ruischloos neèrgezegen stof, in de zon.

De velden waren als uitgestorven, loom nu en dan

Sluiten