Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rige oogen, de gewoonte om star voor zich uit te zien wanneer hij in gepeins verzonken was, waren in huis oorzaak geweest dat verzuimen of nalatigheden, die bij de andere kinderen werden gestraft, bij hem werden door de vingers gezien, onder opmerkingen als deze: „Dae jóng1) is toch 'nen tulme"2); „'et is toch gets), det dai Stève zie baovenhoes zoo slecht gemeubeleerd is." Op school had de meester dan wel eens met den vinger langs zijn voorhoofd gestreken en gevraagd: „Waar denk je aan, Steven"? Zeker heelemaal niet, is't wel?", en de makkers hadden minder zacht geïnsinueerd, dat bij hem „vier er op uit waren om de vijfde te zoeken", of wel hadden zij op hem een oud rijmpje toepasselijk gemaakt:

Dooien, dooie Stève,

Wie lang zóls-te léve:

Doezend jaor en einen daag,

Kip-kap, de kop aaf.

Het was geen wonder dat dus ook Angenees hem nooit lastig viel, doch alles alleen bedisselde — en dat vond oom opperbest, mits hij maar in zijn gewone doen kon blijven.

De eenige variatie in deze eentoonigheid voor de hoofdpersoon van dit huishoudentje, ik bedoel natuurlijk de „hoeshelderse" 4)> waren de Zondagen. Dan ging zij naar de stad ter kerk, 's morgens hoorde zij de mis en 's middags bad zij den Rozenkrans mee. In de maand Mei ging zij ter eere van Maria eiken avond naar het

i) Die jongen. 2) 'n stoffel. 3) Wat, iets. 4) Huishoudster.

Sluiten