Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zolderraam gaf mij telkens weer moed, en hoewel ik best kon merken dat oom liever was weggeloopen dan gebleven, wilde hij dit toch niet doen voor de beide toeschouwers. Angenees herhaalde biddend haar kruis bij eiken slag, en oom kneep dan telkens een poosje de oogen dicht, zoodat ik gelegenheid had mij te herstellen, eer mijn angstig gelaat mij zou verraden aan de beide toeschouwers in het venster.

Toen dit alles eenige minuten had geduurd en de bui aftrok, werd oom kalmer, en riep mij ten slotte toe naar binnen te komen, daar. hij thans volkomen overtuigd was van de veiligheid binnen zijn muren.

Triomfantelijk passeerde ik de meid, die achter ons den zolder weer afsloot en den sleutel in den zak stak, terwijl zij iets bromde van: „Schanj"1) en „doodzünj '-) en „God verzeuke".

Oom was het heertje. Hij haalde voor deze feestelijke gelegenheid zelf eene flesch wijn uit den kelder, en terwijl hij met zijn glas tegen het mijne tikte, zeide hij: „Léve de wetenschap! Noe kan ich nao waorheid zelf in 't vervolg de onwèère inschrieve, en ich gèèf neet meer de tieje3) van de stad inplaats van die van Witloo. Ich hoof neet meer te ongerschrieve4) waat ich neet zeker weit det jüst is. — Doe höbs daomit die bès gedaon, Piet, en mit dain aafleijer6) ouch; dao jong!

dao höbs te einen daalder 6) veur diene spaarpot."

*

* *

i) Schande. 2) Doodzonde. 3) Tijden. 4) Onderteekenen.

5) Bliksemafleider. 6) f 1,80, driemarkstuk.

Sluiten