Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toenemende warmte, den zandigen landweg, en waren reeds afgemat en bezweet, toen wij het voetpad bereikten.

Oom, die vóór mij liep, had nu en dan eens omhoog gekeken en het hoofd geschud, tot hij, bij het begin van het voetpad op een klaverveld wees.

Jawel! ik begreep de angstige uitdrukking op zijn gelaat, de klaverblaadjes gingen dicht.

Nog waren wij het voetpad niet half ten einde, of het gerommel van een verwijderd onweer werd hoorbaar; en toen wij tegen halfelf de boomenrij kruisten, was de bui in onze onmiddelijke nabijheid.

Oom vorderde niet. Hij zag krijtwit, en ik moest hem den arm geven om wat beter vooruit te komen. Dikke regendroppels vielen kletterend op de boomen, en dwongen ons terzijde van den weg onder het beschuttend bladerdak te blijven.

Elke slag die viel deed den armen man ineenkrimpen van schrik, hij stond dan stil en klemde zich aan mij vast. De pet had hij zoover achteruit geschoven dat zij was gevallen, en ik droeg deze nu in mijne vrije linkerhand. Het angstzweet parelde hem langs het voorhoofd. Ik begreep dat ik zoodra mogelijk het huis moest bereiken, want woest rolden de oogen in zijn hoofd en ik was bang hem krankzinnig te zien worden. Hortend en stootend kwamen wij verder, en juist had ik ter linkerzijde van den weg in de verte een witgekalkt boerenhuis met torentje in het oog gekregen, toen een plotselinge lichtstraal mij geheel verblindde.

Als met licht omgeven moest ik de oogen sluiten, en het krakende, oorverdoovende geweld van den slag benam mij den adem. Eenige oogenblikken wist ik niet

Sluiten