Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rooder en rooder wordt het schraal-vuilig gezichtje van het kind, gore zweetdroppeltjes kringelen langs de wangetjes neèr, weggetjes trekkend over het groezelig vel. De handjes reppen zich minder vlug, de plaggen vallen, halverwege de kar, brokkelig, zanderig uiteen op den grond en, nijdig ineens, schopt het vies-bloote kindervoetje tegen den bak aan, die waggel-mopperend even voortrijdt.

Zij heeft zich nu languit voorover op den grond geworpen en zoo, als in een bed van erica, laat ze de warmte-golven over zich heengaan. Ze steekt haar neus in de bloeiende bloempjes om zich te bezwijmen aan den geur en liefkoozend strijkt zij haar gezicht langs de ruwe heiplantjes, die kietelend onder haar neus terugspringen. Dan heeft ze een dolle pret. Ze hapt er naar als ze langs haar mond heenschieten en als een paar bloempjes tusschen haar lippen gevangen blijven, rukt zij met haar tanden ze van de plant los, in genot van vernielen.

Maar ze wordt moè van dat vooroverliggen, zij rolt zich om, op haar rug, trekt haar knietjes op tot aan haar kin en ligt nu, zoo, onbeweeglijk, te kijken naar den blauwen hemel.

Loom drijven witte wolken aan, zilver-vachtige, wollige wolkmassa's, langzaam schuivende over elkaar, zich vervormend, verbrokkelend, vlokkende uiteen als vlokkige schuim; weèr samensmeltend dan tot sneeuwige bergen en witte, schitterende paarden en menschen, dames met slepen, die langzaam statig zich voortbewegen over het blauwende luchtvlak heen.

Sluiten