Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Blauwe Schaap", de schamele herberg aan 't einde van den hollen weg. Daar dronken de mannen zich hun roes en vochten de jongens met messen en tracteerden de meisjes op drank.

Thea moest er soms heen, door Geurte-moei (die zij nu anders maar zelden meer gehoorzaamde) gedwongen en dan verdrongen zich de jongens om haar heen en omhelsden en zoenden haar met gretige, vuile tabakslippen. Dan verweerde zij zich wel, liet niet met zich sollen als de andere meisjes en eens had zij Rooie Koo, die te dicht haar naderde, een slag in 't gezicht gegeven dat het bloed hem uit den neus gesprongen was, — maar zwaar voelde zij hare physieke zwakheid bij die brute kracht, waartegen haar trots niets vermocht en het eenige middel aan die beestige woestheid te ontkomen was te vluchten.

Zoo vluchtte zij vaak, midden op de hei, zooals ze als klein meisje Geurte-moei ontvluchtte met haar sprookjesboek, en dan wierp zij zich languit hartstochtelijk voorover op den grond en schreide lang van walg en vernedering . . .

De dagen volgden elkander, zomer op winter, winter op zomer, wit-schroeiend in zon of killig-somber van regen, en zij deed haar dagelijksche plichtjes, machinaal, haar zwakke kracht opschroevend tot een beetje hardingsvermogen voor de grové bezigheden van haar ruwe sleur-leven. En onderwijl dwaalden de gedachten rusteloos in haar hoofd om, als een woelende chaos, die haar afmatte. Zij dacht over alles, over een vlieg die langs haar heenzoemde, een barst dien zij ontdekte in een aarden pot.

Sluiten