Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar doolde dan haar denken om heen: of nu zoo'n ^ lieg óok zou denken kunnen en of dat gonzen het gepraat zou zijn van vliegen tegen elkaar en hoe het komen zou dat, als je tegen 'n pot aanstootte, dat er dan een barst in kwam.

Zoo werkten hare hersenen den ganschen dag door, vermoeiend en als was er iets in haar hoofd, dat getrokken werd van links naar rechts, van rechts naar links

Ook als haar werk was afgedaan en zij, vrij, over de heide ronddwaalde of in het kleine bosch zat, tusschen de schrale sparrestammetjes, was haar denken geen oogenblik in rust. Dan lag zij weer te staren naar de wolken, zag hoe die voortjaagden aan het uitspansel, de een na de ander, onophoudelijk weer nieuwe. — Dan dacht ze, waar die wolken vandaan zouden komen en (evenals vroeger) dat het net paarden 'waren, die kwamen aansteigeren met groote pluimen op den kop.

Soms, bij helder weèr geleken het witte paarden, van glanzend zuiver wit, maar als er regen in de lucht was waren de paarden grijs of zwart.

Dan hield ze niet van hen, want dan scheen het of ze op haar aan kwamen stormen om haar te verpletteren.

Als zij zoo lang naar de lucht had gekeken kon ze soms eensklaps aan haar vader denken, dien zij nooit gekend had, zoomin als haar moeder, van wie zij alleen hoorde spreken door de menschen van 't gehucht. Zoo riepen de kleine jongens vaak, als zij langs kwam en een steen, een kluit aarde haar voorbij vloog of achter tegen haar linnen kapje aan: „Je voader is'n schobbert en je moèr 'n slet!"

Aan haar moeder dacht ze bijna nooit. Ze wist dat

Sluiten