Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De oPcier van piket van het wachtschip" — introduceerde ik hem.

Ha, dat was 'n buitenkansje voor „den Ouwe" die anders nooit humeurig was, om z'en wrevel over dat onnoodige gehaast van den Admiraal eens te luchten; daar stond nu iemand voor hem van dat „verdomde" Batavia, dat veertien dagen zijn bète-noire was geweest. . . voor niets! — En vóór de officier van 't wachtschip de gebruikelijke plichtplegingen er uit had, begon hij: 't Was wat moois om zoo voor niets te hebben moeten zwoegen. Mochten we daarom toen we van Atjeh kwramen geen dag langer op Batavia blijven, maar hals over kop naar Soerabaia gaan en ons daar half dood werken — twee en twintig percent zieken meneer, lagen er in 't Hospitaal — en de boel moest er maar zóó ingesmeten om toch maar op tijd klaar te komen!? Hoe lang konden we nu hier voor niets liggen ? Waren we nu ook maar regelrecht naar Atjeh kunnen gaan!"

En zoo ging 't een tijdje voort, waarbij de officier van piket zich dood kalm hield en zich maar niets van het standje aantrok. De diplomaat; hij had meer met driftige menschen omgegaan en wachtte dus bedaard de stilte na de bui. En die kwam!... toen de geduldige hoorder eindelijk den storm meende te moeten stuiten met een leuk: „ja maar ziet U, i k kan 't wezenlijk niet helpen!" was de Commandant dadelijk weer in goed humeur.

„Nee, natuurlijk; ik zeg 't ook maar zoo," en met een paar vriendelijke, belangstellende woorden bedankte hij den officier van piket voor de beleefdheid van't complimenteeren en bracht hem hoffelijk de brug af naar 't halfdek.

Sluiten