Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had eens een diepen kuil gegraven voor een dood molletje, dat ze in haar tuintje gevonden had.

Daar mochten de roze en witte takjes niet in — — ze wou de zwarte aarde niet zien vallen op de teere bloempjes. Heel voorzichtig lei ze nu op een stijf palmboompje, dat niets had dan zijn donkergroene, kleine, harde blaadjes, hier en daar een bloesempje neer van den grooten appelboom.

Toen keek ze blij naar haar werk en werd boos omdat 't vriendinnetje zei dat de wind ze er af zou waaien en de zon ze bruin en leelijk zou maken.

Dat kon Litha niet gelooven, — dat die mooie bloempjes leelijk zouden worden; ze zag nooit iets leelijks, ze wist alleen uit haar kinderboeken dat er leelijke dingen zijn, ze herinnerde zich gelezen te hebben van leelijke oude vrouwtjes.

Maar ze zag nooit iets leelijks; ze vond alles mooi: den tuin met zijn bloemen en bloeiende vruchtboomen en jasmijnstruiken en wijde gazons, — de mooie, mooie blauwe lucht, de groote beukenbosschen waar ze ging wandelen, haar jurkjes en bloemen, en ook haar poesje, en zelfs 't kleine hondje van de buren dat altijd naar haar toeliep, een wanstaltig taksje, maar zij vond het mooi, omdat 't zoo lief was.

En nu waren de bloesems den volgenden dag bruin geworden, en Litha kon ze niet mooi meer vinden, al wou haar hartje 't nog zoo graag.

Er kwam toen een besef in haar van wat leelijk is: dat is bruin en verschrompeld en heel, heel naar om te zien.

Sluiten