Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geoefend had op dien ander. Die was nu verre en kon niet meer zeggen: „Litha, mijn Litha, ik heb je zoo noodig, laat me niet alleen."

Nu kon hij haar niet meer pijnigen met den folterenden angst, dien hij haar veroorzaakte, die haar hart verscheurde en vaneen reet soms, omdat zij vreeselijk zou vinden zijn verloren gaan, en daarom hem bewaren wou, en toen zich opdrong dat het liefde was wat ze voelde.

Dat kon niet meer nu, hij zou niet meer treden als een sombere schaduw op den zonnigen weg vol energie en idealen dien zij volgen wou.

En zij juichte over haar vrijheid:

„O mijn Fré, lieve trouwe Frédi, ik ben zoo gelukkig, ik voel me zoo vrij .... Als een vogeltje zou ik kunnen opstijgen in de diepe blauwe lucht, en genieten van het licht, al het wijde, glanzende licht om mij heen! Begrijp je me? Nu is er geen enkele hinderpaal meer, en de twijfel is niet meer zoo hevig. Ik voel zelfs rijzen het geloof, Fré, 't is wel zwak nog, maar het komt

toch, o, het komt Het leven is wèl vol mysterie,

maar er ligt toch lichtglans over heen, die vele dingen helder maakt. Ik wil niet weer spreken over het duister, ik heb zoo lang gehijgd naar het licht! Ik begrijp nog niet, maar ik vóel de schoonheid...

Er kon soms een groote weekheid over haar komen als ze dan dacht aan hem en zijn droomen over haar.

Dat waren haar zwakke oogenblikken. Ze voelde dan medelijden omdat hij haar toch wel zéér lief moest hebben, en in haar hart geen enkele stem daarop ant-

Sluiten