Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Heidemeisje.

DOOR

L. KLAVER.

Aan den uitersten rand van het onafzienbare dorre heideveld, dat onder een mantel van heete lucht en fijn stof roerloos lag te droomen, stak hij zijn kromme armen als een smeekeling ten hemel. In zijn stam waren een menigte spleten en scheuren, vol van microscopische vliegjes en wormpjes en zijn worteltakken lagen gedeeltelijk bloot. De heete middagzon schoot haar felle stralen als vuurpijlen op zijn kruin neer. Wel was hij oud en trilden de uiterste blaadjes van merkbare overspanning, maar hij wierp nog krachtig al de lichtflitsen terug en gaf nog genoeg schaduw voor de gonzende insecten, die om zijn takken zoemden.

Het was nog maar om een paar uur te doen. Als straks de zon verdween, kwam over de heide het avondwindje aanzweven, dat hem maar altijd weer frissche geuren toewuifde en allerlei nieuwtjes uit verre streken influisterde, zoo druk soms, dat een kleine dikke eikel er wee van werd en naar beneden tuimelde. Dan wiegde het zijn blaadjes in slaap en kwam het bij geval te laaf

Sluiten