Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een langgerekt gefluit, Cornelia schrikt op en meteen springt Huib van achter een heesterboschje te voorschijn. Het dikke bolle gezicht draagt een pet, waarvan de klep over een der ooren hangt; een roode halsdoek kroont een kort duffelsch buisje, waaraan een drietal knoopen ontbreken en waarvan de mouwen nog niet tot aan den pols reiken. Van zijne klompen is er een gebarsten en de deelen worden door een smal strookje blik bijeengehouden; het roode haar hangt tot in den nek en een paar glinsterende kijkers lachen Cornelia tegen.

Hallo! daar ben ik! Goed nieuws heb ik voor je. Wat wil je hebben, zeg het maar, een nieuwen doek, iets om te snoepen, zeg maar op.

Met de handen op den rug en het hoofd rechtop blikt Huib vergenoegd-tevreden om zich heen.

Een nieuwen doek? Ik een nieuwen doek van jou, Huib? Kun jij die dan koopen?

Dat kan ik. Ik heb een haas gestrikt en de helft van de opbrengst is voor jou, de andere helft voor Grootje.

Ik heb geen nieuwen doek noodig, ik heb een goeden.

Noem dan maar wat anders op.

Iets anders? Waarom? Ik wil niets.

En waarom niet, als ik het je geef?

Cornelia trekt de schouders op.

Huib kijkt haar verwonderd aan. Vroeger viel zulk een verrassing bij Cornelia altijd in goede aarde.

Dat gaat Huib te hoog en van verbazing kan hij het gesprek niet op denzelfden toon voortzetten.

Cornelia slaat met een heidetakje tegen haar hand en slentert voort met de oogen naar den grond gericht. Huib vindt haar op het oogenblik niets aardig.

Sluiten