Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langs de gebruinde wangen. Sprakeloos staarde Huib naar de gloeiende wangen van het meisje. Maar zie, nu stond hij op, zijn oogen schitterden en hij fluisterde den oude in, dat hij naar Veenlo zou gaan, hij zou een dokter halen.

God Huib, in dat weer?

Ik kom er wel door; ik heb den wind mee en als ik terugga, is misschien de storm bedaard.

Hij zal niet met je willen gaan, mijn jongen.

Hij moet meegaan.

Zeg hem, dat ik hem twee schapen geef, zeg drie, neen zeg vier. O God Huib, beloof alles maar, wat hij vraagt. Zeg hem, dat hij mee moet gaan, dat mijn kind sterft, als hij niet komt. Zie goed uit, mijn jongen; denk om de woudbeek, het bruggetje is smal en neem mijn grooten stok mee.

O, ik vind den weg wel, al vielen er wolken naar beneden.

Ga dan mijn jongen.

Nu is hij buiten. Het is zoo donker, dat hij geen handbreedte voor zich uit kan zien, maar dat komt omdat het in de hut licht was, hij moet eerst aan de duisternis gewennen. De wind drijft hem met schokken en stooten over de hei; dat hindert niet, zooveel te » eerder is hij te Veenlo. Als hij nu maar zorgt, dat hij den wind in den rug houdt, dan gaat hij in de goede richting voort. De storm gonst om zijn ooren en zoo nu en dan voelt hij den kouden regen in den nek. Vooruit maar! Met den dikken stok voelt hij herhaaldelijk om zich heen, of hij ook ergens tegen aan kan

Sluiten