Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Huib is bij haar; hij is niet spraakzaam, hij ziet erg verlegen en weet niet, hoe hij beginnen zal; maar eenmaal moet hij het toch zeggen, eenmaal moet het er toch van komen.

Cornelia, je weet niet, hoe blij ik ben, dat je goed vooruitgaat. Wat een angst hebben je vader en ik uitgestaan.

Ja Huib, ik weet et niet veel meer van, maar toch nog wel zooveel, dat ik me erg ziek gevoelde. O Huib, als jij den dokter niet had gehaald, was het zeker verkeerd afgeloopen.

Nou, dat tochtje over de hei had niet veel te beduiden.

Neen Huib, dat moet je niet zeggen; vader heeft me verteld, wat vreeselijk weer het was.

En die mijnheer Hoven dan, hij zag toch ook niet tegen de reis op en ging zoo maar dadelijk met me mee.

Ja, maar

Och Cornelia, ik weet wel, waarom hij dadelijk meeging; het kwam, omdat hij zooveel van je houdt, omdat hij je zoo'n aardig meisje vindt.

Jij bent toch ook een goede jongen, Huib!

Jawel, maar zie je, ik ben niet zoo aardig, als die mijnheer Hoven, ik kan niet zoo goed praten als hij en ik zie er ook heel anders uit.

Maar Huib, dat kun jij toch niet helpen.

Neen, dat weet ik wel, maar jij kunt het ook niet helpen, dat je met mijnheer Hoven liever praat dan met mij.

Heb ik dat ooit tegen je gezegd?

Neen, dat heb je nooit gezegd, maar als je veel van

Sluiten