Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de huizen kant en klaar gekomen; maar 't blok stond op een stuk land, dat haar man gekocht had, met uitzondering van een strook grond, die aan de gemeente behoorde, zoodat deze den toegang tot de nieuwe straat in handen had. Ze hadden het in den eersten tijd niet erg begrepen op de revolutiebouwers; de heeren van t stadhuis hielden voet bij stuk, ze wilden den toegang niet openstellen, het bouwplan niet goedkeuren enzoovoort; en die nieuwe huizen bleven onbewoond. Op een Zondagmiddag — ze wist 't nog als de dag van gister,— was Anna met haar man eens gaan kijken. Daar stonden ze, de groote kasten, wel zeventig op een rij, log, doodsch, met de kale vensters, als met holle oogen over het veld starend; groenig mos bedekte de muren en veel ruiten waren door baldadige jongens stuk gegooid. Het was treurig; 't goede geld van de erfenis stond daar nu te verinteresten; ze waren niets waard, niemand wilde er wonen, omdat een behoorlijke toegang ontbrak. Een half jaar lang wachtten ze nu op een gunstigen keer; maar die bleef uit en haar man moest weer knecht worden met tien gulden loon in de week. Maar dat kon hem niet schelen; flink pakte hij zijn nieuwen arbeid aan; na een maand had hij al meer loon, na drie maanden was hij opzichter en had Anna het wat ruimer in haar huishouden. Toen, na veel moeite, veel smeeken en bidden, heen en weer loopen, wist Jan wat geld los te krijgen van een rijken meneer; in een ander deel van de stad begon hij nu opnieuw te bouwen. Hij werkte als een razende: fundeering, eerste bintlaag, tweede,

derde, de kap pannenbier 't ging van een leien

dakje en weer verbaasde zich de stad over den spoed —

Sluiten