Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatsten groet. . . dat zevenmaal te beleven, zonder bijstand, van wien ook, altijd alléén! 't Was te veel! Ja, ze had zich altijd alleen moeten redden, alles alleen moeten doen; tot zelf naar het stadhuis had ze moeten gaan om 't lijk aan te geven, want niemand hielp haar ooit.

Toen niet — en nu niet! Ze stond weer op van de stoep, waarop ze een half uur lang wel gezeten had. Ze kon daar toch niet blijven ! Het handvat van den wagen greep ze weer aan. 't Ging beter weer dan zooeven; wel klopte haar hoofd nog en benam de wind haar den adem: maar 't ging toch, langzaam, zonder te veel inspanning. Haar huis was nu niet ver meer en bruggen hoefde ze gelukkig niet meer over.

Ratelend ging 't karretje over de bestrating; nu en dan zakte een wiel plotseling diep in een kuil bemanden, half leeg, stonden te schudden, maar Anna bekommerde er zich niet om. Ze wilde thuis zijn, zoo gauw mogelijk thuis, 't Was misschien haar laatste gang naar den groenboer geweest; morgen zou ze wel niet meer naar de klanten gaan; als ze nu maar thuis was, thuis in bed, waar ze wachten kon, wat er dan komen zou.

En ze kwam er; op den tast bijna draaide ze het donkere slop in ; de wagen werd tegen een blinde muur aangezet, waar haar buurman, de eigenaar, hem morgen wel vinden zou. Toen ging Anna de donkere trap op. 't Was stil in huis, alleen schreeuwde een kind ergens achter een deur, waaronder nog licht scheen : overigens scheen alles al te slapen. Ze kwam op haar kamer, dicht onder de pannen ; het oude lampje, dat midden op de

Sluiten