Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam Jacob Vleeschdrager haar tegemoet. „He!" — zegt hij — „dat treft." En, ziende dat zij genoeg werk had met het naar boven sjokken van den kastanjeszak, nam hij haar dezen zonder plichtplegingen van den schouder, drong haar lachend opzij, en vloog de trappen op. Zij hijgend achterop.

„Malle jongen" — ze had den heelen avond aaneen gezeten en kon nu niet vlug loopen — eer ze den zin voleinden kon, was Jacob over alle bergen.

Toen, voor de deur van 'r kamer, haalde ze hem in met drukke verwijten dat hij met 'n grauwen zak ging sjouwen en dat ze hem nooit meer zou helpen aan z'n huiswerk, als hij weer zoo stout was — de man was nota bene over de twintig en zou binnenkort z'n chowerexamen afleggen, dat hem den rang gaf van Godgeleerde.

Hier in deze gang was hij nooit anders geweest dan de Jacob Vleeschdrager die als knaap stoeide op de trappen en voor de deur, met buurjongens en buurmeisjes. Van alle buurjongens vond Roza Jacob het aardigst, en Jacob luisterde het liefst naar de vertelseltjes en geschiedenissen van Roza.

Eerst waren 't de verhalen van mooie huizen en mooie kleeren, en hoe vroeger bij hun thuis was gedanst geworden en op Vrijdagavond zoo'n groot stuk vleesch op tafel had gestaan en zij allerlei lekkers had gegeten, dat ze hem, ongeloovigen Thomas, — wel eens op Zaterdagmiddag aanwees — voor de ruiten van Ledeboer in de Kalverstraat waar alle Jodenkinderen dan flaneeren. Roza kwam toen nog netjes voor den dag. Toen Jacob alles wist van 't groote huis waar ze vroe-

Sluiten