Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII.

Al méér dan drie weken kon Salomon niet uitgaan : hij zat languit met 'n gebroken voet. Toen hij in gedachten een brug wou oprijden, had hij tegen de leuning gestooten met de kar, en was hij neergevallen, de

kar over hem heen.

De bakker wou niet borgen, en Salomon mocht nog niet weg. Daarbij kwam, dat er van de week geen geld zou zijn voor den huur: de huisheer maakte korte metten.

Roza zou uitgaan met de kar.

— Of ze wel sterk genoeg was?

— O, ze was iederen dag op straat geweest, had dikwijls zelfs moeder meegenomen, naar den Amstel, waar de zon scheen, en 'i laten blij zijn om de lichtjes, die dansten in het water, en haar laten grijpen naar de wolken, die zich opbliezen aan het hemelblauw.

Ja, ze kon het best. Ze zou enkel de vaste klanten afgaan en zeggen dat haar broeder ziek lag; misschien dat ze zoo nog kon verdienen.

Dien ochtend kruide zij de kar de Plantage door, met hulpeloos, — zwak stemmetje roepende den prijs van haar bessen, tégen alle regelen in van de kunst.

Langzaam schrijdend, voetje voor voetje, steunde ze op de kar. Doch er waren weinigen die kochten van het bleeke meisje, dat niet roèpen kon eens.

Hoe zoo de menschen gingen langs haar, zonder zin in de waar waarheen ze wees, met haar vinger, als ze

Sluiten