Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nochtans ik stapte aan tante's arm mee verder voort; zij mijn blos ziende en, er de oorzaak natuurlijk geenszins van gissend, sprak vroolijk glimlachend:

„Wel Wimpje, wij mogen beiden geen Wilhelmina heeten, als ik n u al niet aanstonds eenige verandering op je (lieve) gezichtje zie! Ja, 't is maar waar, de frissche lucht doet wonderen en — een beetje afleiding eveneens, dat zul je, hoop ik, eerlang gewaar worden."

Ofschoon ik de vrijheid nam, met haar, wat dit laatste betrof, van gevoelen te verschillen, ^wat maalde i k nu om afleiding) zei ik niets en tante vervolgde na een poosje van stilzwijgend en langzaam verder gaan :

„Zie je wel hoe beeldig de beuken al zijn ? Die zachte, lichtbruin getinte blaadjes aan de dunne takjes doen mij altijd aan kant denken, 't is alles zoo fijn, zoo doorschijnend teer en, kijk nu dat frissche groen der linden eens, gevoel je geen lust om er in te bijten ? Maar toei neen, dat is te prozaisch; wie denkt nu aan bijten en eten bij al het heerlijke der Lente? Hoogstens zou men van: lucht-happen kunnen spreken; dat doen we onwillekeurig, daar hebben onze longen en de bouw van ons lichaam schuld aan, niet wij, niet het eigenlijke, niet het betere van ons; neen, dat dringt ons op zulk een morgen als dezen, enkel tot gevoelen, tot aanbidden, tot danken, tot juichen ; vindt je ook niet, Wimpje?"

„Zeker tante," antwoordde ik, haar van ter zijde gadeslaand. Wat scheelde tante ? Ik had haar nog nooit zoo hooren spreken. Zij kan zich wel warm maken over iets of iemand; maar dan is 't meestal om er den draak mee te steken of om te hekelen. Nu klonk er iets zoo warms, zoo innigs uit ieder harer woorden ; iets dat we

sa

Sluiten