Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je hebt immers altijd gezegd, dat je zoo graag eens naar de zee zoudt gaan, Wimpje?" viel ze, onmiddellijk nadat tante Doornick had uitgesproken, in.

„Zeg, vindt je het nu niet heerlijk, kind? En het plaatsje, dat tante Coos voor ons verblijf heeft uitgekozen, moet idyllisch schoon wezen; trouwens, dat weet je al door Lucie Gevers, die er verleden jaar logeerde. Men vindt er, behalve de heerlijke zee en de duinen, ook beeldige boschrijke wandelingen; kortom het moet er in alle opzichten allerbekoorlijkst zijn."

„Dus gaan we naar D . ... ?" riep ik, nu waarlijk verrast uit; zoo iets ja, dan trok mij een verblijf aan zee op een kalm, nog weinig bezocht badplaatsje wel aan. Daar zou niemand mij storen in mijn mijmerend gevoelen en droomen; ik zou er kunnen uitrusten en denken, denken ....

De tantes zouden haar gang gaan en kennis maken met de badgasten (zoo iets zou zeker in den smaak vallen van tante Wim; zij mag, zegt ze altijd, wel graag eens met vreemden in aanraking komen) en ik zou ook mijn gang kunnen gaan, d. w. z. ik zou alleen kunnen zijn en ik zou de zee zien, de zee waarop h ij wellicht nog dobberde. Ach! zoekend zijn heil in de vlucht! En in de bosschen, o, daar zou 't mij zijn of ik er hem moest ontmoeten, weervinden hem, met wien ik zoo menigmaal in onze bosschen had gedwaald, zoolang als mij heugt, zelfs toen we nog kinderen waren en, mogelijk, schoon onbewust, elkander reeds liefhadden.

Ik zou .... dat alles schoot mij als een flits door het hoofd, terwijl ik daar zat en naar tante Wim luisterde. En daar zij zelf, even als de andere tante, zoozeer in-

Sluiten