Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Had ik het niet gedacht!" riep zij. „Daar zit ze weer, die luilak, terwijl haar moeder en zuster zich afsloven en zich nauwelijks een oogenblik gunnen tot verpozen, laat staan tot genieten van het mooie weer."

„Och, tante," antwoordde ik met een blos (o, die verklapper, die lastige bondgenoot van ons geweten!) „Ze willen nu eenmaal niet dat ik iets uitvoer; heusch, ik heb het haar daar straks weer gepresenteerd; maar noch moeder, noch Jacq ...."

„Kom, kom," antwoordde tante, op de tuinbank plaatsnemend, „je weet wel beter; maak dat nu aan je grootje wijs, zou ik zeggen, als je er een hadt; maar niet aan tante Wim en evenmin aan je zelf! Enfin, ik zal maar niet langer voor zedemeesteres spelen, want, willen we

gedurende eenige weken in vrede samen te D leven,

dan zie ik wel in dat ik, met zoo'n verwend poesje als mijn lieve nichtje, een heele boel water in mijn wijn zal moeten doen, ' toen veel vriendelijker, „trouwens ik ben ook jong geweest, kindlief, ik heb ook mijn tijd gehad van droomen en luchtkasteelen bouwen!" (Zij?)

„Maar van poesjes gesproken, de quaestie over tante Goos poes is gelukkig eindelijk in orde gekomen en zeker ook wel naar jouw genoegen geschikt. Je weet, dat er geen sprake kon zijn van het dier mee te nemen, anders dan op de gewone manier, waarop men beesten verzendt en dat tante daar niet van wilde hooren; welnu, na lang beraad en heen en weer gepraat, is nu besloten en vastgesteld dat Aaltje niet bij hare moeder in den kost zal gaan; maar deze bij haar, d. w. z. bij ons of bij de poes! Die oude vrouw Bloemers is, o geluk! een ware katten vriendin, dus tante Coos

Sluiten