Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vriendin, die, innig bewogen met het leed van iemand die haar na aan 't hart lag, gereed stond tot troosten; tot helpen, zoo mogelijk.

Vergeef mij, beste tante Wim!" riep ik met tranen in de oogen — „vergeef mij mijn bitsheid en ongemanierdheid. Ik zal gauw mijn hoed opzetten en mijn boek halen; ik wil graag, heel graag met u meegaan."

„Zoo is 't goed," zei ze, „dat is eindelijk weer eens mijn eigen lieve Wimpje die spreekt, en ik geef graag toe dat het dezer dagen erg warm is, dat brengt de meeste menschen van streek, hoe veel te meer iemand die nog altijd niet geheel op krachten is, zooals jij.

„Nu, wat mijn krachten aangaat, beste tante" begon ik — maar zij gaf mij een teeken om liever voort te maken, en terwijl ik de trap opliep, hoorde ik haar tegen tante Doornick zeggen, die in de veranda met een

haakwerkje zat:

„Je vindt het immers goed, zus, dat ik met Wimpje

naar de bosschen ga?"

En tante Doornick antwoordde:

„Zeker, ga jullie je gang, als i k maar hier mag blijven."

En zoo gingen we een oogenblik later met ons beidjes op weg. Ik, ik beken het, altijd nog een klein beetje onder den indruk van tante's gezegde van daar straks — het had toch zoo iets van een insinuatie, vond ik — zij, vriendelijk als altoos en met het opgewektste gezicht van de wereld.

„We moeten maar niet ver gaan, W im, heb ik gedacht," was haar eerste woord, „want je hebt gelijk, het is warm;'heb je een mooi boek?"

Sluiten