Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herhaald, aanbonzend tegen de huizen, dringend door de gebroken ramen, en de menschen nog meer opschrikkend in hun doodelijken angst: „De toren valt! De toren valt!" Toen kon geen macht ze meer weerhouden, toen joeg een ontzetting ze op en dreef ze voort naar buiten. En de straten zagen zwart van menschen, die jammerden, de lichamen gestrekt in één zelfde beweging om te bereiken, om te zien. Hoeden vlogen heen, haren fladderden wild om de hoofden, oogen puilden uit, dakpannen wentelden in de lucht en smakten neer; en menschen vielen met een ijselijken schreeuw, palen werden gebroken en ijzerdraden striemden in het gezicht; kinderen lieten zich voorttrekken aan de rokken van vrouwen; honden blaften; maar alles drong vooruit met één kreet: „De toren valt! De toren valt!" Dat waren geen menschen meer, die daar verder drongen, maar demonen!

Opeens stokte de massa; ze stonden voor een puinhoop. Dat was de toren geweest; daar had de kerk gestaan, eeuwen, eeuwen lang. Dat was hun lange, mooie, spitse toren, die eens oprees boven alle huizen uit, als een vingerwijzing naar den hemel, als een aansporing tot godsvrucht. Dat was hun toren waarnaar ze steeds gekeken hadden, omdat de wijzerplaat hun 't uur aanduidde, omdat de beiaard er zoo helder in rammelde op dagen van feestgewoel, omdat het klokkespel er bekende volksliederen in speelde, omdat ze dien gekend hadden van kindsbeen af en omdat ze wisten dat hun ouders hem gekend hadden van kindsbeen af, en hun grootouders en hun voorouders, en veel, veel menschengeslachten. Dat was hun toren, waar ze trotsch op waren en dien ze

Sluiten