Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den Haag.

Lieve An.

Wat was ik teleurgesteld uit je brief te vernemen, dat die meneer aangaande wiens verleden, heden en toekomst ik zoo'n aardig romannetje had op touw gezet, niets anders blijkt te zijn dan een verloren zoon, die zich voedt met het zwijnendraf.

Weet je wel, An, dat er tranen zijn gevallen op je brief.

Het maakt me altijd zoo nerveus, als ik hoor of lees van menschen die voor eeuwig verloren schijnen te zijn. Wil ik je eens zeggen, wat ik denk?

Ik geloof zeker, dat aan zulke verdorven geesten toch nog wel een kans zal worden gegeven hun leven te beteren.

Je weet toch, dat Plato dit ook voor zeker meende te mogen aannemen. Immers, van hoe grooten invloed is niet de omgeving, waarin iemand opgroeit.

Welnu, als iemand nu in zijn jeugd niet heeft geleerd het goede pad te gaan, zou het dan niet iets vreeselijks wezen, als hij na zijn afsterven voor eeuwig verdoemd was?

Daarom geloof ik zeker, dat er zelfs in het meest verdierlijkte wezen toch nog wel een sprankje is te vinden van den goddelijken aard, waarmede ieder mensch wordt geboren.

Werp hem eens een medelijdenden blik toe, wie weet of dat geen wonderen uitwerkt.

Maar nu een ander onderwerp, An. Karei van Espen komt hier heel veel aan huis. Maar, denk je dat ik het prettig vind? — In 't geheel niet.

Hij is blijkbaar van oordeel, dat het „kleine ding" niet meetelt. Hij doet eenvoudig alsof ik er niet ben, en noemt me heel stijf „Johanna".

Sluiten