Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water, wierp zij ze met het kaft samen, midden in het kanaal. Uiteendwarrelend in den wind, bleven zij drijven. Op de voortstuwende golfjes waren zij als blanke bloembladen op het water.

Vlug deed Lili haar wandeling terug. Als zij te laat kwam, zou zij snibbig antwoorden, het niet te kunnen helpen.

Maar niemand sloeg er acht op.

Zij liep dadelijk door naar haar kamertje en daar bleef zij een oogenblik voor het raam staan, dat uitzag over een reeks tuinen, plotseling heel verdrietig.

Zij was zoo heel héél alleen en zij verlangde naar Otto. Hij had haar geschreven, geen verlof te kunnen krijgen. Hij vond het wanhopig, maar het ging niet.

Lili vond het ook wanhopig nu; een traan gleed tusschen haar wimpers door. Toen keerde zij zich van het raam weg en ging op haar bed liggen. Maar in haar verdriet kwam plotseling weer de reis. Dien avond wilde zij aan Otto een langen brief schrijven. Vervroolijkte ook de reis weer heel haar denken. Nog maar twee lange dagen ! Zij zou de reis ook prettig maken, onder geleide van den kapitein, dien haar voogd kende en wien deze gevraagd had, haar onder zijn hoede te willen nemen, daar er geen bekende familie mede ging op de boot. De kapitein was een aardige, vroolijke man. Dit alles verjoeg haar verdriet.

s Avonds kon zij weer geen gelegenheid vinden, den brief aan Otto te schrijven. Zij zou van de boot maar een afscheidsbriefkaart zenden, den dag, dat zij wegging. Den dag voor haar vertrek ontving zij nog een kort briefje van Otto, zooals hij dit beloofd had in

Sluiten