Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Watervloed.

EEK VERHAAL UIT HET DORP. DOOR

L. PENNING.

't Is een knap paar. Gijsje, de oudste dochter van den veearts, en Janna, de vrouw van den dorpskleermaker, ontkennen het, maar de eerste is jaloersch, en de tweede zoö bijziende, dat zij op twintig pas afstands een ooievaar aanziet voor een os.

Vlot meet hij zijn zes voet; het blonde haar komt golvend van onder den bruinen, breedgeranden hoed te voorschijn, en dat zonnig, mannelijk gelaat met die helderblauwe oogen nemen onmiddellijk voor hém in. Zij past bij den jongen reus als de lenteroos bij den eik, en omlijst door het dichte, gitzwarte haar, schitteren u uit dat frisch en rozig gezicht de donkerbruine oogen vol moed, schalkschheid en levenslust tegen.

Doch thans schitteren die oogen niet, want zij, Geertrui Groeneveld, heeft een ontzettend nieuws gehoord. Zij kan het niet gelooven, zij wil het niet gelooven, en toch kan zij het vreeselijke niet van zich afschuiven.

Sluiten