Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.Maar 't is toch ook ongeloofelijk, dat hij, Wouter Borgers, haar geliefde, de algemeen geachte administrateur van het landgoed Rozestein, de zoon zou zijn van een vagebond, die negentien jaar geleden in de gevangenis overleed.

Langzaam wandelt het paar de dijkstoep af, den polderweg op. Dicht bij den dijk, op twee minuten gaans afstands, bevindt zich links, slechts door een sloot en een smal erf van den polderweg gescheiden, de woning van den ouden Stoppel, en eenige minuten verder, rechts, door een lange oprijlaan met den weg verbonden, een boerderij, behoorend tot het landgoed Rozestein, doch door Kees Dekker gepacht.

Geertrui spreekt bitter weinig; het valt Borgers op, en hij vraagt op verwonderden toon: „Wat heb je toch?" „O, 't is vreeselijk, zoo als de menschen je belasteren !" barst ze uit, „maar 't is leugen, niets dan leugen en laster!" „Ik begrijp je niet, liefste," zegt "W outer, en hij kijkt omhoog naar de slanke populieren, langs den weg geplant. De Decemberwind strijkt er door heen, en schudt de dorre takken.

Geertrui is nu veel bedaarder geworden; zij legt haar arm in den zijne. Zij is vast van plan, er geen woord meer van te reppen, doch de vragende blik van den geliefde wenscht een oplossing van haar raadselachtig gedrag. „Wat hebben ze dan toch van mij gezegd, Geertrui ?" Zij heeft bepaald spijt, er over begonnen te zijn. „Ik zeg je immers, dat het alles leugen en laster is," zegt ze zoo luchthartig mogelijk; „praat er toch niet meer over; 't is niets."

Ze zijn nu het huis van baas Stoppel genaderd. „Hoe

Sluiten