Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerst vele jaren later had hij de vreeselijke zielepijn van zijn vader verstaan. En toen was het afscheid gevolgd — het tafereel scheen den kleinen jongen wel in het hart gebrand te zijn, zoo goed wist hij het heden nog tot in de kleinste bijzonderheden. „Anna," had de ongelukkige man tot zijn vrouw gezegd, „Anna, ze houden me niet in de gevangenis," en de ruwe politiedienaar — de administrateur balde bij de herinnering nog toornig de vuist! — had geschaterlacht en gehoond: „Ga je gang maar!" En toen nog een handdruk, een kus, een laatst vaarwel — de sombere poorten openden zich en sloten zich — en de stalen sloten vlogen knarsend in hun scharnieren.

Maar de oude Borgers had toch de waarheid gesproken, toen hij zeide: „Anna, ze houden me niet in de gevangenis," want geen drie maanden later openden zich de poorten voor hem, en hij werd de gevangenis uitgedragen in een ongeschaafde, ongeverfde kist, want hij was dood: gestorven en verkwijnd van berouw, koorts en zielepijn ....

Het vuur in den haard begon te verminderen, maar de administrateur nam een paar houten knuppels, en wierp ze op het vuur, dat nu nieuw voedsel kreeg, en in grillige vlammen uitsloeg.

Hij nam een ander portret, het beeld van een vrouw. Het was zijn moeder. Vijf jaar geleden had hij haar grafwaarts gebracht op een stil kerkhof, bij een vriendelijk dorpskerkje. Veel pijn en veel droefenis had de almachtige God haar doen ondervinden op haar pelgrimsreis naar dat schoone land, waar alle tranen uit de oogen zullen worden weggewischt, maar zij had zich

Sluiten