Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken watervloed uit. De wind echter wordt krachtiger, en de golven slaan er zegevierend over heen. De lage arbeiderswoningen staan reeds tot den zolder in 't water, en slechts de iepen, eschen en olmen, langs de binnenwegen geplant, rijzen met hun kronen nog hoog boven den grauwen waterplas uit als gordels van schildwachten, die men vergeten heeft af te lossen.

Nog altijd stijgt het water. Het staat maar een halven palm meer onder de schrap in den blauwen steen aan Dekker's voorhuis, die het peil van den laatsten hoogen watervloed aangeeft. „Het water zal het vroegere peil bereiken," zucht de boer — het gaat er over heen. Het gaat er nog zeven Amsterdamsche duim over heen — dan komt het tot staan.

Waar zijn de knotwilgen gebleven, de grienden, de hooischelven, de arbeiderswoningen? Verzonken en verdronken in het grauwe, triomfeerende element! Water, niets dan water, waar men staart! De kronen der hooge boomen zweven er boven als verdorde waterplanten; de daken der boerenhuizen schijnen mastlooze vaartuigen, door grillige winden op zandbanken en ondiepten gedreven, terwijl in de wijde, schemerende verte Huize Rozestein met zijn torens en opstekend muurwerk sprekend gelijkt op een machtig oorlogschip, dat onbewegelijk voor anker ligt.

Maar 't is toch een treurig, jammerlijk, ja ontzettend gezicht! De hoop van den landman, de vrucht van vele jaren slaven en zwoegen gaat nu binnen vierentwintig uren reddeloos verloren. Het uitgezaaide wintergraan moet verrotten in het water, de aardappels in de diepe kuilen, de schoof van den jongsten rijken

Sluiten