Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op. „Voorwaarts, in de boot!" roept hij, „er is geen oogenblik te verliezen !"

Het knechtje laat zich dat geen twee keeren zeggen, en komt met een behendigen sprong gelukkig in het vaartuig. Pool echter duwt den ouden man, die in de verwarring niet weet wat te doen, met zacht geweld naar het luik. Doch voordat dit bereikt is, blijft de gierigaard plotseling onwillig staan en hij kijkt zijn redder aan met zijn stekende, diep in hun kassen wegschuilende oogen. Hij rukt zich los, loopt terug naar de geldkist, en zijn lange, magere handen schuiven met grooten haast het goud en zilver in een gereedliggenden geldzak. Pool wil, om het werk te bespoedigen, hem helpen, maar de wantrouwende man schijnt bij die welwillendheid wel razend te worden. „Blijf af," schreeuwt hij met schorre stem, „blijf af — je vader was een dief!"

Pool staat voor een oogenblik verstomd, terwijl de gierigaard, schuin uitkijkend, om niet bestolen te worden, voortgaat met zijn werk. Maar de grijze oogen van Pool beginnen nu te vlammen, en hij barst los in toorn: „Ellendeling, denk je, dat het mij om je geld te doen is? Als je niet onmiddellijk meegaat, dan ben je een verloren man! Wij roeien weg!"

„Nu, kom je gauw?" dringt Borgers met klimmend ongeduld; „de oogenblikken zijn kostbaar!"

Pool springt in het vaartuig en grijpt de riemen. „Ik kon den ongelukkige niet meekrijgen," antwoordt hij op den vragenden blik van zijn meester, maar zij zijn nauwlijks twaalf pas weggeroeid, of daar verschijnt de oude man aan het luik.

Sluiten