Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun roeibootje omzagen, en met ontzetting bespeurden, dat het van zijn touwen was weggeslagen. Toen hadden zij om hulp geroepen, zooals het een mensch doet, die op den smallen rand tusschen twee loodrechte afgronden staat; zij hadden met ijzeren en blikken voorwerpen zooveel mogelijk geraas gemaakt, om de aandacht te trekken, en als een laatste middel had Kees Dekker zijn oud pangeweer genomen, en zijn laatste kruit verschoten. Doch ook dit middel scheen vruchteloos te zijn geweest.

De kinderen zijn in slaap gevallen, terwijl de sporen der tranen nog zichtbaar zijn op hun rozige wangen.

„Laten we bidden!" zegt Dekker. „Zal ik hen wekken?" vraagt de moeder, op Jan en Anna, de twee oudste kinderen, wijzend. Hij schudt het hoofd. „Laat hen maar slapen!"

Het echtpaar knielt neder. Het knielt neder bij het gouden en heilig altaar van Gods erbarming en liefde in Jezus Christus, Zijn Zoon.

Als een priester legt de eenvoudige man zijn hand op den rand van dit altaar, smeekt om vergiffenis van zonden en om redding uit dezen nood, want God, Zijn Koning, regeert over golven en orkanen. Doch als er naar Gods onnaspeurlijk raadsbesluit geen redding zou komen, dan zal hij, met zijn lievelingen wegzinkend in de ontketende elementen, zich met zijn gezin als met stervende handen nog vastgrijpen aan dat gouden koord der Goddelijke liefde, dat vastgehecht is in het binnenste heiligdom ....

Gesterkt rijzen zij op van hun knieën. Het gebed geeft kracht, als al het andere ons begeeft.

Sluiten