Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De orkaan loeit voort, de golven beuken de woning, maar in het hart van het echtpaar wordt het stil. Terwijl zij de schaduwen des doods zien naderen, leeren zij, al is het met een diep geschokt gemoed, berusten in Gods bestel. En gelijk zij elkander in trouwe liefde tot steun zijn geweest in den harden strijd van het leven, willen zij elkander ook troosten in hun laatste ure.

Ach, daar valt hun oog weer op hun kinderen! Duizend dooden zouden zij met vreugde willen sterven, als ze daarmee die dierbare panden konden redden! De kleine Anna heft het blonde hoofdje op; zij is wakker geworden, en staart met haar onschuldige kinderoogen haar ouders aan, dat het een steen zou roeren. De moeder breidt haar armen uit, en drukt het lieve wicht aan haar hart. „Ik laat je niet los," fluistert ze; „ik zal je niet verlaten!'' Neen, dat zal wel waar zijn.

De moederliefde is sterk — sterk als de dood .Maar

de ongelukkige vader kan het niet aanzien, en uit het diepst van zijn gemoed rijst de zucht: „Laat de strijd kort zijn, o mijn God!"

En de strijd is voorts kort, maar hij eindigt niet in de woeste golven van den watervloed — de redders zijn nabij!

Als door een electrischen schok getroffen, vliegen de ouders op — de rijzige gestalte van Wouter Borgers staat voor hen op den waggelenden zolder.

„Vlug in de boot," roept hij; „Dekker, pak aan, want het huis gaat tegen den grond!" De moeder vliegt met Anna reeds naar de boot; Dekker volgt, Jan aan de hand en het jongste kind op den arm, haar onmiddellijk, terwijl Borgers den vierjarigen Hendrik neemt. II. " 6

Sluiten