Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zijn in het vaartuig, allen behalve Borgers en de kleine Hendrik, die de achterhoede vormden, als het huis over zij gaat. 't Is alles zoo snel gegaan, dat men in het eerste oogenblik nauwlijks weet, of er iemand vermist is, doch nu men het weet, slaakt moeder Dekker een angstkreet.

Pool, die aan de riemen zit, tracht haar te troosten. „Nog kan alles terecht komen," bemoedigt hij haar; „we zullen even wachten." Werkelijk ziet men de beide vermisten na eenige oogenblikken op het dak, dat tegen den hoogen hooiberg is aangedreven.

Op het oogenblik, dat het huis bezweek, had Borgers zich vast gegrepen met den vrijen arm aan een spar, die in het rieten dak was bevestigd, en met groote inspanning had hij zich en den kleinen Hendrik door een gemaakte opening boven op het dak gewerkt.

Zoo is hij met het kind het dreigend doodsgevaar ontsnapt, doch de vreugdekreet besterft op de lippen van moeder Dekker, want een drijvende ijsberg is in snellen aantocht. Hij wordt door den storm regelrecht op het dak aangestuwd; er is geen ontkomen aan.

„Een touw," schreeuwt Borgers, „een touw!" Pool begrijpt hem, en werpt hem het eene einde toe van het touw, dat uit voorzorg is meegenomen. Hij mist den eersten keer, doch den tweeden keer heeft Borgers het touw gegrepen, 't Is hoog tijd. Snel bevestigt hij het onder de armen van het kleine ventje, dat jammerlijk schreit, kust het op beide wangen en roept nu: „Trek!"

Druipnat en bibberend van de koude houdt de moeder den kleinen Hendrik in haar armen, maar de edele

Sluiten