Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pool, verkleumd en afgebeuld, heeft moeite, om zich overeind te houden, en waggelt naar een stoel bij het hoog opflikkerend vuur. In de groote opschudding schijnt niemand aan den armen jongen te denken, maar vrouw Groeneveld heeft zijn bleeke wangen opgemerkt, en reikt hem een groote kop dampende koffie met eenige sneden eigengebakken brood.

Hoe het hem verkwikt! Hoe de hongerige de sterke tanden slaat in dat voedzame, lekkere brood! Er komt weer kleur op zijn wangen; er komt weer veerkracht in zijn spieren.

„Pool," smeekt Geertrui nu, „zoudt ge den gevaarlijken tocht nog niet eens willen ondernemen, om hem te zoeken, uw meester?" en Sultan kijkt Pool aan met zijn schrandere oogen, alsof hij zeggen wil: „Toe Pool — doe het!"

Doch Pool heeft er niet anders over gedacht. „Ik was het met baas Dekker reeds afgesproken," zegt hij, „maar ik moest eerst wat in het lijf hebben, want anders zou ik warempel van de graat zijn gevallen!" Hij zegt dit zoo eenvoudig, zoo zonder eenig vertoon, alsof het van zelf spreekt. Maar Geertrui legt de bevende handen op zijn schouders, kijkt hem vol aan in het hoekig en onschoon gelaat, en zegt in haar overstroomend gevoel: „O Pool, hoe heb ik je miskend! Ik zal je voortaan liefhebben als een eigen broeder!"

Pool is reeds voor den tocht gereed; ook Dekker staat op. Geertrui kijkt hem even aan; zij denkt aan zijn vrouw en kinderen, en vindt het offer schier te groot. Maar hij neemt reeds afscheid, en zijn vrouw zegt niet: „Blijf!" Zij fluistert slechts: „De Heere zal

Sluiten