Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hebt gij mij zóó lief, Geertrui?"

Zij antwoordt niet, doch haar oogen spreken. En door die sprekende oogen staart hij als door geopende poorten in een hart, dat waarlijk liefheeft....

Pool en Dekker reppen de rappe handen. Zij letten nier op de geliefden, maar slaan de riemen wijd uit, kijken telkens scherp achteruit, om met geen ijsschotsen in botsing te komen, en de vlugge boot, voortgestuwd door wind en stroom, scheert als een zeemeeuw over de woelige, bruischende golven.

Hand in hand, zoo zitten zij daar, Wouter en Geertrui, en Sultan ligt met uitgestrekt lichaam aan hun voeten.

Zij voelen zich als twee kinderen, die elkander hadden verloren, en zie, zij hebben elkander teruggevonden. Uit de gescheurde wolken is de hemel der liefde neergedaald in hun harten, en al golft de duisternis en de dood over de grauwe wateren, op hun pad is het licht.

De ban is gebroken; ze zijp verzoend.

„Wouter — lieve Wouter. . . ."

„Geertrui — liefste . . . ."

Van den dijk schalt thans een honderdvoudig hoera.

De boot heeft den oever bereikt.

Ze zijn gered.

De winter is nu voorbij. Bange dagen en banger nachten zijn doorworsteld, doch dat is nu voorbij. Verdwenen is de grauwe, eindelooze watervlakte, en waar weinig maanden geleden de golven klotsten, blinkt nu

Sluiten