Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de overzij, voor welks raam de beeltenis van een bierkoning hing, was nog het eenige, dat wat kleur gaf in de overigens zoo eentonige opeenstapeling van steenen tot kale zwart-achtige muren, hier en daar afgebroken door een paar venstertjes met wat armelijke vitrage erachter; daaronder had men dan bijna zonder uitzondering een paar groote, groengeverfde deuren, die maar enkele malen per dag opengingen om een mooi rijtuig in of uit te laten; er waren groote, uitgerotte gaten, dicht bij den grond; daar kropen 'savonds verschrikte ratten en muizen in weg, zoodra een voorbijganger naderde. Alleen het huis, waarover we boven spraken, bracht wat afwisseling in de eentonige, bochtige straat; daar waren de deuren en de kozijnen netjes schoongemaakt; de ruiten blonken er; voor alle vensters, zoover ze ten minste niet behoorden tot dat gedeelte, dat als pakhuis werd gebruikt, hingen heldere gordijnen, waaronder zich af en toe kinderkopjes vertoonden, blozende gezichtjes van jongens en meisjes, die lachten tegen de voorbijgangers en „kst" riepen tegen de honden. Ook op de bovenverdieping voor de veel lagere ramen onder de kroonlijst van het oude huis vertoonden zich dikwijls kindergezichtjes, blozend als die van beneden. Aan lange draden katoen lieten die van boven wel eens stukken gekleurd papier naar omlaag zakken, die daar door iets anders, een doosje of een lapje, vervangen werden om dan onder gelach en geroep weer naar boven getrokken te worden. De kleinigheidjes, die aldus de reis van beneden naar boven en omgekeerd maakten, fladderden voor de ramen van de middenverdieping, waarvoor bijna nooit een gelaat ver-

Sluiten