Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoekje, waar de zon bijna den heelen dag scheen, had opgeworpen. Met hun zessen speelden ze daar de gewone kinderspelletjes; met oude kopjes zonder oor maakten ze taartjes, met de roode vochtige handjes groeven ze kuiltjes, waarvan het diep mooi gladgestreken werd en daarna met steentjes en takjes versierd. Zoo vermaakten ze zich den ganschen ochtend tot moeder hen riep voor het eten; en na het eten haastten ze zich weerom te keeren op den zandhoop, die den tijd, dat ze weg waren geweest, rustig had liggen wachten op hun wederkomst. Gierend van pret en begeerte, er het eerst van allen te wezen, liepen de kinderen den tuin in; voor die van boven was dat het sein om aan moeder te vragen of ze nu ook naar beneden mochten; ze stommelden, voorzichtig zich vasthoudend aan de leuning, de oude trap af, het portaal langs, waarop de deuren van de twee stille kamers uitkwamen, om lachend en pratend de breedere, tweede trap af te gaan, vanwaar ze nu vlug den tuin in huppelden, door hen, die er reeds waren, juichend begroet.

Ze speelden dan weer den heelen zonnigen namiddag, praatten met elkaar, waarbij Wiesje, het zesjarig dochtertje van de juffrouw-beneden, het hoogste woord had. Ze speelde moedertje over de anderen, die veel jonger waren dan zij, zij beslechtte de twisten, die er soms rezen, bestreed verkeerde neigingen, had de leiding bij alles, wat er gezamenlijk ondernomen werd. Ze voelde zich al oud onder de zes kleinen en vanzelve zich geroepen tot de taak van moeder, van onderwijzeres.

„Loo, je mag je handjes niet zoo vuil maken, stoute Loo.... Hemmie, wil je dat wel eens laten; je mag je

Sluiten