Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen het avond werd, wilden ze geen van allen naar bed; moeder had wat een last met hen; de een wilde drinken, de ander zei, dat het kussen zoo hard was en de derde was zoo koud. En als al die kwalen verholpen waren, dan hadden ze weer wat anders: keelpijn, hoofdpijn of moesten ze zoo hoesten .... Moeder vond het zoo gek, dat ze eindelijk zei: Malle kinderen, wat mankeeren jelui toch vandaag?.... ik geloof; dat het allemaal streken zijn." En ze sloot de deur van de slaapkamer, zich er niet aan storend of ze alle drie, eerst zachtjes en later al harder begonnen te huilen. Moeder kwam niet meer terug. Wiesje, Hemmie en Zusje huilden zoolang dat ze er moe van werden en slaap kregen en eindelijk, grienend en snikkend, indommelden. Maar opeens, juist toen ze onder zeil zouden gaan, ja daar hoorden ze kleinen Loo huilen; o, wat huilde hij .... heel anders dan vroeger, zoo gek, zoo vreemd, nu eens hard en weer zachtjes, heel zachtjes; en langzaam aan werd het dan weer harder, zoo luid dat het door het heele huis klonk .... Waar was moeder? Was vader al thuis? Ze waren zoo bang; in het heele huis hoorden ze niets dat dat akelige huilen van Loo. Waar was moeder dan toch? Sliep ze al? Ze waren veel te bang om te durven roepen. Want o, als het spook hen hoorde, dan zou hij nadr beneden komen, om hen ook uit hun warme bedje te halen, en hun pijn te doen. Ze zouden dan in de donkere kamer gebracht worden, en huilen, huilen net als kleine Loo.

Ze sidderden in hun bedje; het duurde lang voordat eindelijk de stilte weerkeerde in het huis en de kinderen snikkend eindelijk insliepen. —

Sluiten