Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beerends met haar man bewoonde. Zoodra zij in de gang stonden, praatte Lize weer druk.

„Is het goed warm binnen, Antje? Neem onze regenmantels mee en hang ze flink uit beneden. En breng mijn hoed en mantel naar boven als 't je blieft. Kom Mien, nu gauw een kop thee; het water kookt dadelijk."

Mien volgde haar naar de vroolijke, ruime voorkamer, waar het vuur helder brandde. Het zag er bizonder behagelijk en rustig uit, vreemd rustig haast, vond Mien. Een mooie, groote bouquet goudgele en roomwitte chrysanthemums stond op de tafel en gaf iets zonnigs aan het vertrek, hoewel de regen buiten eentonig en in dichte stralen neerviel. Mien keek onderzoekend de achterkamer rond, de eigenlijke huiskamer van het gezin — blijkbaar was er iets dat haar verwonderde. Ze opende den mond om wat te vragen, maar bedacht zich en zweeg.

Haar gastvrouw was ijverig in de weer om voor de thee te zorgen; zij stak het lichtje aan onder de bouilloire, zette thee en haalde een trommeltje biscuits te voorschijn.

„Toe Mien, ga nu toch zitten," zei ze. „O, kijk je naar het nieuwe portretje van de kinderen? Wel lief, he? Ik wou daar maar van laten maken; er is nog een proef, maar die is lang zoo goed niet, ik zal haar je straks eens even laten zien. Gezellig die twee peuters op één plaatje, vindt je niet?"

Mien bleef maar al zwijgen. Ze stond voor het raam met het portret in de hand, maar hare oogen keken er over heen naar buiten. Haar gezicht stond ernstig nu en er lag iets weemoedigs in de grijze oogen, die ge-

Sluiten