Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaatsten in een hel vlammende zonnetinteling met vonkelende bloemen om zich heen, die hen met een oranje, hemelsblauwe of purperen grijns aanstaarden.

Al dat kleurengewemel en dat brandende licht verbijsterde en verschrikte hen en de oude, eerwaardige bijbel kreunde en fluisterde:

„Wee mij! waartoe ben ik toch hier gebracht in dit vreemde, wonderlijke land, waar niemand mij noodig schijnt te hebben. O, ik verga van heimwee naar de stille huiskamer, waar een oude vrouw mij als een gewijde ter hand nam, waar liefdevolle oogen op mij rustten, terwijl de lippen zachtkens prevelden, 't Geritsel van mijn bladeren, wanneer zij die omsloeg, en het tikken van de klok waren de eenige geluiden die de stilte verstoorden. Vooral op eenzame winteravonden, als de wind door den schoorsteen huilde en in de grijze, sombere herfstdagen scheen zij behoefte aan mij te hebben. Hoe dikwijls zag ik een stillen tevreden glans over haar oud gelaat lichten, terwijl zij voortlas! — Nog altijd betreur ik den dag, die een einde maakte aan dien gelukkigen, gezegenden tijd. Op dien dag kwam een jong paar de oude vrouw bezoeken. Bij 't afscheid nemen stonden hun oogen vol tranen; lang hielden de beide vrouwen elkaar omklemd. En toen de oude zich eindelijk losmaakte uit die omhelzing, greep zij mij met haastige, bevende hand en fluisterde met trillende lippen terwijl zij mij aan de jonge vrouw overreikte: „hier kind, neem dien bijbel mee. Misschien zullen er in dat verre land eens oogenblikken komen, waarin je behoefte hebt aan den steun en troost, die menschen je niet kunnen geven. De gedachte daaraan zal mij niet zoo

Sluiten