Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja juist," antwoordde Jaspers echter, „en dan heb je heelemaal geen leven. Hij komt b.v. eens in de week 's middags en dan 's Zaterdag-avonds op de societeit; dan drinkt hij altijd één glaasje bier, leest de courant, zit achter een whisttafeltje te kijken, en gaat precies om ii uur naar huis; hij eet op zijn kamer, een sombere benedenkamer met horretjes voor de ramen, en gaat heelemaal niet uit. A propos, ben j ij van plan, om visites te gaan maken ?"

„Ja, dat denk ik wel, hè ?"

„Nou, dan zal ik je van middag dadelijk aan een meneer Rolfs presenteeren: die geeft nog al dikwijls diners en zit flink in de kopstukken."

„Gaan alle luitenants hier nog al uit?"

„O jé, neen: alleen van Herpen, de la Barbe, Muller — dat is de kwartiermeester; dien ken je ook nog niet — en ik."

„En en hoe heet die tweede-luitenant ook

weer, dien ze „de freule" noemden ?"

„Van Weerden? Neen, die trekt hier voor iedereen de neus op. Hij komt bij den burgemeester; doch verder gaat hij eigenlijk alleen in Arnhem uit, waar hij nog al dikwijls heengaat. Hij is b. v. ook de eenige, die een rok heeft, 't Is een eigenaardige kerel, die erg op de vormen gesteld is, en zich daarom ook altijd dood ergert aan Roelvinck, die precies het tegenovergestelde is, en er alles maar uitflapt."

„Roelvinck, dat is die klaplooper, hè?"

„Wel neen, hoe kom je daar nu al zoo gauw aan; ken je hem dan ?"

Max voelde, dat hij een onhandigheid begaan had.

„Dat heeft zeker van Herpen aan je verteld, hè? Ik

Sluiten