Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat? Wat zou ik zeggen?" vroeg Hanna zoo zacht en zoo verlegen dat Mien medelijden met haar kreeg.

„Wat Hanna? Wel, alles natuurlijk."

Nu lachten Hanna's oogen en weer kwam de donkere blos op hare wangen. „Maar er is zooveel," zei ze. Toen, alsof ze schrikte van hare eigene woorden: „Ten minste, dat vind ik."

„Zoo? Dan is het zeker al eerder begonnen dan ik vermoedde. Waarom heb je er nog nooit met mij over gesproken, kindje?"

Hanna's lippen beefden. O, wat vond zij het moeielijk te zeggen wat zij te zeggen had.

„Nu? Wees maar niet bang, ik zal heusch niet boos zijn."

„Moedertje, lief, lief, moedertje," zei Hanna en zij legde haar hoofd op Mien's schouder — zij kon haar nu niet aanzien. „Het was alleen maar omdat ik dacht — omdat ik dacht.... dat u het zelf zeker nooit gevoeld hadt... ."

„Wat, Hanna?"

„Omdat u zeker .... misschien ...." haar stem klonk zoo zacht nu dat Mien haar haast niet verstaan kon, „zelf nooit zooveel van iemand, van een man, meen ik, hebt gehouden — anders zoudt u natuurlijk wel getrouwd zijn!"

Mien glimlachte om de kinderlijke gevolgtrekking, maar ze zei niets en streek alleen zacht met haar hand over Hanna's haar.

„En toen was ik een beetje bang dat u het kinderachtig zoudt vinden, hoewel u dikwijls zoo prettig met me over zulke dingen hadt gesproken en toen stelde ik het aldoor uit...

Sluiten