Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hagel gaatjes in het vlakke staal

Van 't meertje en kille wolkenschaduw sombert

Het drassig veld. Daar hingen speer en schild:

Hij zag en greep ze. Voort, nu naar Idoene.

Het eiken, barnsteentooiig snarentuig

Klonk op z'n rug bij 't snelle gaan, maar hol

Was echo's toon, de zalen waren stil,

Vol weemoed, en weer gleed er leed op hem.

Maar voort moest hij. — Daar klopten luide Donar

En Loke op de eikenhouten poort, hol klonk

Het door de hoge hallen, Bragi ging

En z'n gezicht vervrolikte bij 't zien

Van Donar's forse, rouwe kop, trouw in

Z'n ogen, die als 't woudven glansden in

Z'n ruwbehaard gezicht, 'en donker bos;

Bij 't zien van Loke's zeegroen oog door gloed

Van baard en haar, vuurrood als de avondlucht,

Omschenen.

Hun viel 't mee: ze dachten hem, De dichter, in 'en zoetlik mijmeren Verzonken en z'n huis van tranenlied Vol als een najaarslucht vol vochtigheid — Men kan de regen ruiken. Moed gaf hem Hun handdruk en ze gingen saam naar Schildhal. Weeklagen klonk hun toe van ver, als door Het bos de herfstwind voortzucht, vlaag na vlaag

Sluiten